De eerste bezichtiging.
We hebben met een zekere Jack afgesproken bij een café in Lanjarón, een klein stadje in de streek Alpujarra dat we in een eerder avontuur hadden uitverkoren als mooiste plek. Net onder de Sierra Nevada, dicht bij stadsleven van Granada en ook niet te ver van zee. Met een lijst van nog tien andere plekken in de hand,  zo van het internet geplukt, wachten we in een café op de eerste makelaar. Een sjofel uitziende man komt op ons af. Openstaand ruitjeshemd en broek met verfspatten, de uitgestoken hand ook voorzien van resten verf en cement. Eerst koffie. De Engelsman vertelt eigenlijk bioloog te zijn, maar nu in Spanje met verkoop van huizen en land wat geld te verdienen. Hij praat gehaast en hakkelend tegelijk, onderwerpen raken door de war. Veroorzaakt daarmee sympathie: dit is geen echte makelaar. Jack legt uit in de alleronderste regionen van makelaardij beland te zijn, een soort doe-het-zelf versie zonder kantoor. Hier noemen ze dat een corredor . Zo’n loopman brengt mensen die hun huis verkopen in contact met potentiële klanten, meestal buitenlanders. Het werk stopt zodra het tot een prijsakkoord komt, dan wordt hij betaald en zoeken koper en verkoper het verder zelf maar uit. Of ze elkaar nou verstaan of niet.

We rijden achter de bemiddelaar aan, over een smal geasfalteerd weggetje dat naar beneden slingert. Idyllisch uitzicht: aan weerszijden oude olijfbomen in een geterrasseerd landschap, af en toe een niet gecultiveerde berg ertussen. Donkere takken van nog kale amandelbomen steken tegen groene hellingen af. Op sommige plekken is in de verte turkoois blauw van een stuwmeer te zien.

Het asfalt houdt op na een kwartier. Jack stopt om te vragen of de huurauto tegen een hobbelige zandweg bestand is. Dat zal toch wel? Er volgt nog een ruim kwartier van beheerst kuilen en keien omzeilen, waarna de twee auto’s stil staan. Te voet nog een klein stukje naar beneden. Onze corredor zegt dat het een goede toegangsweg is, zoveel asfalt komt er in het buitengebied niet voor. Daarna staat hij in zorgvuldig Spaans een verkoper te woord. Langzaam, de woorden zijn vooruit gedacht. Zegt dat het land er netjes bij ligt, is de grond recent geploegd? Is de verkoper ook bekend met de regeling dat een ruïne herbouwd mag worden tot een legaal huis? De aangesprokene lijkt er niets van te weten maar knikt beleefd en neemt ons mee naar zijn ruïne.

Die is wel erg klein, kleiner nog dan onze als niet zo grote Amsterdamse huiskamer. En veel staat er niet overeind, het zijn eerder archeologische resten met lage stenen muurtjes en een paar fotogenieke traptreden uit hetzelfde materiaal. De olijfbomen zijn prachtig, groot en oud. Terwijl we met de verkoper rond zijn terrein lopen, zien we plotseling een betonnen bouwwerk opdoemen dat via het dal omhoog slingert. De toekomstige snelweg, zegt de boer. Een indrukwekkend ding dat een landingsbaan lijkt op extreem hoge kolommen, zich onderweg elegant aan het berglandschap aanpassend. Omdat er nog geen wegdek op zit, is het net een buitenproportioneel groot gegoten kunstwerk van massief beton. Je zou er een museum omheen kunnen bouwen. Civiel ingenieurs moeten hier leuk werk hebben: heel anders dan rechte lijnen trekken op de grond. Nu rijden de auto’s nog over een provinciale weg aan de overkant van het dal, een paar honderd meter verderop in de berghellingen gehakt.

Toekomstige snelweg gezien vanaf de oude hoofdweg aan de overkant

De eigenaar zegt dat hij om de hoek nog een stuk land heeft. ‘Daar zie je de snelweg minder.’ Beleefd lopen we mee, terwijl Jack informeert naar types bestrijdingsmiddelen in de olijfteelt. En wat die olijven nu eigenlijk opbrengen, vandaag de dag. Gek dat hij in het Spaans minder nerveus lijkt. Ook vreemd dat de Engelsman überhaupt goed Spaans spreekt.

Teruggekomen in het ineens overduidelijke comfort van het gehuurde vakantiehuis, variëren de commentaren van ‘het was pas de eerste’ tot ‘toch mooi, die stenige terrassen, en dat weggetje er naartoe, het smalle asfalt tussen de olijfgaarden.’ Dit wordt niet ons toekomstige buitenhuis.